Shinkichi Tajiri

Beeldhouwer van Japans-Amerikaanse origine, sloot zich aan bij de Cobra-groep en had een belangrijke voortrekkersrol in de ontwikkeling van een vrije, experimentele uitdrukkingswijze in de sculptuur. Hij bewoonde een kasteel in Baarlo.

Nederland heeft met Shinkichi Tajiri, die op 15 maart 2009 op 85-jarige leeftijd in zijn woonplaats Baarlo overleed, een van zijn belangrijkste moderne beeldhouwers verloren. Tajiri, in 1923 in Los Angeles geboren als zoon van Japanse ouders, maakte met zijn werk ook internationaal naam.

In mei 2007 onthulde koningin Beatrix een viertal kolossale (tegen de tien meter hoge) ‘Wachters’ in gietijzer van zijn hand aan weerszijden van de Maasbrug bij Venlo. Het waren varianten op het Samoerai-thema waaraan hij in de jaren daarvoor vaker werkte. Samoerai zijn leden van de voorheen hoogste maatschappelijke klasse in Japan, een krijgersklasse, waartoe Tajiri’s familie behoorde.

Samen met zijn toekomstige vrouw, de Nederlandse kunstenares Ferdi Jansen, die hij in Parijs had ontmoet, vestigde Tajiri zich in 1956 permanent in Nederland. Hier speelde hij een belangrijke voortrekkersrol in de ontwikkeling van een vrije, experimentele uitdrukkingswijze in de sculptuur. Met zijn uit de fantasie geboren abstract te noemen bouwsels in metaal, sloeg hij een geheel nieuwe richting in de beeldhouwkunst in, die in Nederland nog volkomen op de menselijke figuur was gericht. Tajiri voelde zich thuis bij de vrijgevochten kunstenaars van de Cobrabeweging, onder wie Appel en Corneille, die hij in 1949 Parijs leerde kennen, en sloot zich daar aan bij hun groep.

Net als vele andere Amerikaanse Japanners wasTajiri tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht in een interneringskamp. Uit de ellendige omstandigheden daar wist Tajiri zich los te maken door zich aan te melden bij het Japans-Amerikaans ‘vrijwilligersregiment’, dat de zwaarste opdrachten kreeg in Europa. Een diepe verwonding aan zijn linker been betekende zijn redding. Na de oorlog ontving hij als oorlogsveteraan een beurs waarmee hij zich als kunstenaar kon ontwikkelen. Dat deed hij aan het Art Institute te Chicago, waar hij in aanraking kwam met de moderne kunst. Maar ook bleek hij, als Japanner, in Amerika onverminderd aan discriminatie bloot te staan.

In Parijs, waar hij eind 1948 zijn toevlucht had gezocht, kon hij vrij ademhalen. Hij volgde er de lessen van de Russische beeldhouwer Ossip Zadkine, bij wie de Nederlandse experimentele dichter Simon Vinkenoog modelstond. Vanaf 1949 ontstonden zijn hoogpotige fantasiewezens in gips, waarmee hij liet zien dat hij de vormentaal van bekende kunstenaars als Miró, Calder en Giacometti kende. Verschillende van deze bouwsels gaf hij de titel ‘krijger’, of ‘warrior’.

Tajiri behoorde tot de eerste kunstenaars die gingen werken met ijzer en schroot, tot dat moment beschouwd als een de kunst onwaardig materiaal. Slechts enkelen, zoals de Spanjaarden Gonzalez en Picasso, hadden zich daar al eerder aan gewaagd. In 1961 nam hij deel aan de internationale tentoonstelling ‘The Art of Assemblage’ in het Museum of Modern Art in New York.

Maar ook in Nederland werd er belangstelling getoond voor zijn werk, zelfs al vóór hij zich daar vestigde. In Amsterdam werd hij direct opgenomen in de kring van een aantal pioniers in de beeldhouwkunst: Carel Visser, Wessel Couzijn en Pearl Perlmutter, en in 1957 nam hij deel aan de expositie ‘Nederlandse beeldhouwkunst’ in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Uit behoefte aan ruimte betrok Tajiri met zijn vrouw in 1962 het kasteel Scheres in Baarlo (Limburg). In de opkomende welvaartstaat van de jaren zestig raakt Tajiri in de ban van de wereld van machines en techniek, (als kind had hij vliegtuigbouwer willen worden). Zijn werken, die nu van fors formaat worden en die hij met twee assistenten in elkaar zette, kregen met hun gladde oppervlak een machinale en agressieve uitstraling.

Na de plotselinge dood van Ferdi in 1969 gooide Tajiri zijn leven over een andere boeg. Hij ging lesgeven aan de kunstacademie in Berlijn, en legde zich toe op experimenten met fotografie. Ook daarin bouwde hij een heel oeuvre op, met de nadruk op vrouwelijk naakt. Daarnaast maakte hij verschillende (video)films. Een soort filosofisch rustpunt in het oeuvre van deze onderzoekende geest vormen zijn ‘knopen’, die hij sinds tweede helft van de jaren zestig heel klein, in papier mâché, maar ook in monumentaal formaat in hout, of in gladde polyester- of metalen buizen realiseerde. Men kan ze op verschillende plaatsen in Nederland, en ook elders in de wereld tegenkomen, maar vooral in zijn woonplaats Baarlo, dat steeds trotser werd op haar bijzondere bewoner, en wel het ‘knopendorp’ wordt genoemd.

 

tekst: Willemijn Stokvis

foto: Philip Mechanicus

Geen exposities gevonden

IN DE UITLEEN

1455
1455